6. 1
148
Het krankzinnigengesticht Calvariënberg, 1847-1952
Op 1 mei 1847 werd het krankzinnigengesticht Calvariënberg in Maastricht officieel in gebruik genomen. Een gemeentelijke verordening uit 1859 maakt duidelijk welke drie categorieën patiënten konden worden opgenomen: arme Maastrichtse krankzinnigen voor rekening van het gesticht, arme krankzinnigen van elders voor rekening van de betrokken gemeente en behoeftige krankzinnigen voor rekening van bijzondere personen of‘ administratiën’. Het Burgerlijk Armbestuur, de organisatie die het gesticht beheerde, was het er absoluut mee oneens dat het voor de kosten van de eerste categorie moest opdraaien. Na veel discussie ging de gemeente betalen: honderd gulden per jaar. De instelling kon tussen 1857 en 1921 beschikken over vijftig tot 75 bedden.
Toen het gesticht geopend werd, kreeg het echtpaar Nijst-Bronckers de dagelijkse leiding. Het echtpaar werd al in 1848 vervangen door een religieuze zuster. In 1851 volgde de benoeming van Maria Elisabeth Paulissen, die samen met Maria Elisabeth Gruyters de congregatie van de liefdezusters van de heilige Carolus Borromeus( zusters Onder de Bogen) oprichtte. In 1866 was al het lekenpersoneel, dat uitsluitend een taak had als oppasser, vervangen door deze zusters. Vanaf 1921 deden ook lekenverplegers weer hun intrede.
In therapeutisch opzicht was er vooral aandacht voor wat we tegenwoordig arbeidstherapie noemen. Op de begane grond van de oude kloosterkapel werd in 1859 een aantal werkplaatsen ingericht waar de geesteszieke vrouwen en mannen aan het werk werden gezet met het herstellen van kleding, pluizen en herstellen van matrassen, mandenvlechten, en timmeren. Begin jaren zestig verlieten bijvoorbeeld vijfhonderd getimmerde doodskisten de werkplaats, bedoeld voor overleden bedeelden. Door de gestichtsbewoners zoveel mogelijk aan het arbeidsproces te laten deelnemen, waren zij economisch van betekenis. Er was ook de nodige aandacht voor afleiding: er werden spelletjes gedaan en de patiënten verzorgden de tuin en het pluimvee.
De behoefte aan opnameplaatsen groeide gestaag. Er zijn veel inspanningen verricht om het gebouw geschikt te maken voor de opvang van de provinciale behoefte van tegen