Reader's Digest / Het Beste maart 2014 | Seite 141
oordenschat
‘Uren, dagen, maanden, jaren
vliegen als een schaduw heen’ – dat schreef
de dichter Rhijnvis Feith ruim twee eeuwen
geleden. Er is sindsdien niets veranderd. De
tijd blijft maar voorbijvliegen. Hier zijn vijftien
woorden die met het verschijnsel tijd te maken
hebben. Vliegt u er even doorheen? Antwoor-
den en score op de volgende bladzijde.
1. carpe diem – A: pluk
de dag. B: wees er vroeg
bij. C: beter laat dan
nooit.
2. interbellum – periode
A: van steeds oplaaiende
oorlogen. B: van vredesonderhandelingen.
C: tussen de Eerste en
Tweede Wereldoorlog.
3. louwmaand – A: januari. B: februari. C: maart.
4. noen – A: 12 uur.
B: tijd van 12 tot 1 uur.
C: middag.
5. onverwijld –
A: vertraagd. B: regel-
matig. C:
onmiddellijk.
6. avondklok –
A: klokgelui in
de avond. B: verbod om de straat
op te gaan. C: klokvormige avondjurk.
7. prematuur –
A: vroegtijdig. B: ’s ochtends. C: op jeugdige
leeftijd.
8. era – A: klok. B: zonnewijzer. C: tijdperk.
9. in de pruimentijd –
A: nooit. B: ooit.
C: binnenkort.
Wat de Week betekent
Zondag en maandag betekenen simpelweg ‘dag
van de zon’ en ‘dag van de maan’. Vier dagen zijn
genoemd naar Germaanse goden: dinsdag naar
tiwaz (oorlogsgod), woensdag naar Wodan (oppergod), donderdag naar donar (dondergod) en
vrijdag naar Freya of Frigg (vrouw van Wodan).
Zaterdag is genoemd naar saturnus, de romeinse
god van de landbouw, het graan en de onderwereld.
illustratie: Jill calder
10. soiree – A: middagfeest. B: avondfeest.
C: nachtfeest.
11. hondsdagen –
periode A: met veel
regen. B: van kou.
C: van warmte.
12. pendule – A: slingeruurwerk. B: periode van
afwachten. C: reistijd.
13. fuks – A: onverwacht. B: snel. C: te snel.
14. fn de siècle –
periode rond A: 1800.
B: 1900. C: 2000.
15. decade – A: tien jaar.
B: twintig jaar. C: vijfentwintig jaar.
139