Morceaux Durs Morceaux Durs #3-20 | Page 6

Toen ik 22 was ontmoette ik haar. Ze had krullen en die heeft ze nog steeds. We waren op Lowlands, verregend en wel stonden we te wachten op van alles, op vrienden en vrienden van vrienden. Ze kwam naast me staan en ondanks de regen was ze erg vrolijk. ‘Hé,’ zei ze. Ik antwoorde: ‘Er valt altijd meer regen naast je.’ Ze lachte, haar neus veerde een beetje naar beneden en ze zei; ‘Mijn vrienden zijn er, ik moet gaan.’ Een jaar later woonde ik met haar samen. Na een vakantie in Barcelona waar we in een heel klein kamertje sliepen, trok ze bij me in. We woonden in een slooppand, het laatst in gebruik als moskee en we noemden het ook de ‘Moskee’. Het was ooit een broederhuis, maar daar was niet veel meer van over. Op een dag belde er een man en zei: ‘Ik kom een ladder terugbrengen.’ Ik pakte de ladder aan en nam hem mee naar binnen. We verwisselden lampen, verplaatsten hem ontelbare keren, gebruikten hem om onze kleding op te drogen, de treden voor onze schoenen, gooiden hem om en vergaten waar ie was. We verhuisden naar nieuw huis en de ladder bleef achter. Op een dag fietste ik langs de grachten en daar lag je naast een boom, overwoekerd, je lag daar zeker twee jaar. Ik stapte af en keek naar je, deed mijn tas open, haalde een spin uit mijn tas en pakte je op. Stevig vast op mijn bagagedrager, nam ik je mee. Nu sta je weer in de gang met schoenen op je treden en kleren over je rode buizen. Mijn vriendin was blij je te zien. 6