Toen ik 22 was ontmoette ik haar. Ze had krullen en die heeft
ze nog steeds. We waren op Lowlands, verregend en wel
stonden we te wachten op van alles, op vrienden en vrienden
van vrienden.
Ze kwam naast me staan en ondanks de regen was ze erg
vrolijk. ‘Hé,’ zei ze. Ik antwoorde: ‘Er valt altijd meer regen
naast je.’ Ze lachte, haar neus veerde een beetje naar beneden
en ze zei; ‘Mijn vrienden zijn er, ik moet gaan.’
Een jaar later woonde ik met haar samen. Na een vakantie in
Barcelona waar we in een heel klein kamertje sliepen, trok ze
bij me in. We woonden in een slooppand, het laatst in gebruik
als moskee en we noemden het ook de ‘Moskee’. Het was ooit
een broederhuis, maar daar was niet veel meer van over.
Op een dag belde er een man en zei: ‘Ik kom een ladder
terugbrengen.’ Ik pakte de ladder aan en nam hem mee
naar binnen. We verwisselden lampen, verplaatsten hem
ontelbare keren, gebruikten hem om onze kleding op te drogen,
de treden voor onze schoenen, gooiden hem om en
vergaten waar ie was.
We verhuisden naar nieuw huis en de ladder bleef achter.
Op een dag fietste ik langs de grachten en daar lag je naast
een boom, overwoekerd, je lag daar zeker twee jaar. Ik stapte
af en keek naar je, deed mijn tas open, haalde een spin uit mijn
tas en pakte je op. Stevig vast op mijn bagagedrager, nam ik je
mee. Nu sta je weer in de gang met schoenen op je treden en
kleren over je rode buizen. Mijn vriendin was blij je te zien.
6