114
DAGBLAD DE
SCHIEDAMMER
Wie drie jaar na de oorlog in de kiosk op de Koemarkt een los
nummer kocht van het dagblad De Schiedammer moest er negen
cent voor neertellen. Nu in de eurotijd is dat een muntje van vijf.
Wisselgeld. Als het op de grond valt, raapt geen kind het meer op.
Toen het weekabonnement van het kleinste dagblad uit de
Rotterdamse regio in november 1948 van 31 naar 32 cent werd
verhoogd, werd dit maanden tevoren zwetend op de voorpagina
aangekondigd. Maar er liep geen abonnee weg uit het familiehuis
van Het Parool, een verzetskrant die zonder vooroorlogse wortels
pas in 1945 bovengronds was gekomen.
De Schiedammer was statutair gevestigd in Amsterdam, maar had
vertakkingen in Utrecht en Rotterdam. De Schiedammer was een
bijwijf van het Rotterdamsch Parool. Goed voor een paar duizend
abonnees.
In de jaren zestig is de kleinste Parool-editie gevestigd aan de
Hoogstraat in het oude hart van Schiedam. Met de auto alleen via
oude draaistraatjes bereikbaar. Een krantengebouw kan men het
niet noemen. Het is een miniatuurwinkeltje in een romantisch
stadsputje van de grootste winkelstraat. Nu is de Wereldwinkel er
in gevestigd, naast een tapperij. In de tijd van de krant was de
tapperij een boektiekje.
Aan de binnenkant van de ramen van het krantenwinkeltje hangen
vanaf half vijf ’s middags de verse pagina’s van de dagkrant. Elke
dag zijn er vaste lezers om het abonnementsgeld uit te sparen. Ze
lezen met de punt van hun neus tegen de ramen een kwartiertje het
belangrijkste wereldnieuws. Maar die ene pagina met het Schiedamse stadsnieuws ontbreekt. Rayonmanager Gerrit Batsleer, die
elke middag de tassen van de bezorgers afgepast vult, geeft zijn
premium niet kwijt. Never!
De redactie van De Schiedammer huist in een van de twee
achterkamertjes van het winkeltje. Er staan twee bureaus en als er
gasten zijn, kunnen die hun kont niet keren. Het oogt saai, oud,
slecht onderhouden en staat er blauw van de rook. De oudste van
de twee verslaggevers hoort al jaren tot het meubilair: een
boomlange Javaan die Schiedam tot zijn stad heeft gemaakt. Hij
leeft als een kantoorklerk en men kan de klok op hem gelijk zetten.
Elke morgen parkeert hij om half tien zijn fiets tegen de pui van de
buurman en gaat ’s avonds na twee pakjes sigaretten zonder filter
om half zes naar huis. Van de binnengekomen post maakt hij korte
berichten en over het nieuws van de raadsvergaderingen doet hij
een week. Alles wordt uitgekauwd, tot de laatste nieuwe stoplichten toe. Interviewen doet hij zelden en toch staat die ene pagina
elke dag barstensvol local stuff. Als de krant in 1972 ophoudt te
bestaan, wordt Dolf Buskens gemeentevoorlichter.
De redactie van de Schiedammer is een opleidingsschool van Het
Rotterdamsch Parool. Tegenover de oude geroutineerde verslaggever, die in lokale beleidskringen de reputatie van een locoburgemeester heeft, zit een leerling. Vrijwel elk jaar een ander, want
ondanks de eerste teloorgang in de krantenwereld is er in de
midden zestiger jaren nog steeds journalistiek emplooi. De
PAND DE SCHIEDAMMER ZOALS HET VROEGER ER UITZAG
boomlange Buskens wil jonge lenige verslaggevers voor de
kruipkelder: daar ligt het archief. Alle leerlingen gebruiken die
kelder voor nachtelijke herdersuurtjes.
In 1967 afficheert Het Rotterdams Parool met een vacature en ik
zit in de strijd om de eindzege in tweede positie. De voorkeur gaat
uit naar een dame. Maar Dolf Buskens protesteert. Hij heeft niets
met vrouwenemancipatie en van schoonheidsnormen heeft hij
geen kaas gegeten. Buskens wil dat er ’s nachts bij een stadsbrand
tempo gemaakt kan worden. Leerling-verslaggevers moeten met
één telefoontje van hun bed gerukt kunnen worden. Denkend in
termen van ochtendmake-up is de eerste kandidate bij Buskens dus
op slag kansloos. Bovendien heeft ze geen auto.
In het jaar dat erop volgt hoeft de oude routinier mij slechts drie
keer onder de dekens vandaan te trekken. Eén keer voor een lullig
brandje dat bij aankomst al blijkt te zijn geblust en de tweede keer
als er een onbeduidend fabriekje in de fik staat. Spannend wordt
het pas als er op 12 juni 1968 aan de kade van de Wilhelminahaven
een ontploffing is aan boord van de Auga Clara en zes classificeerders de dood vinden. De brand gaat de geschiedenis is als de Tanker
Cleaning-ramp en wordt mijn voorpaginadebuut in Het Parool. Wel
worden 250 dapper getikte zinnen tot een lengte van een derde
gereduceerd en bleek bij het verschijnen van de krant mijn naam
door de algemene term één van onze verslaggevers te zijn
vervangen. Dat prikt nog het meest.
Leerling-verslaggevers bij De Schiedammer worden klein gehouden. Daags na de ramp word ik al overruled door een vanuit
Rotterdam geparachuteerde routinier voor de follow-up. En
Buskens? Hij is bij alle nachtbranden drie keer op de fiets komen