De Gracieuse 1863 | Page 340

de hals der blouse gegarneerd. Daarna hecht men den revers † aan †, j aan j, · aan ·, en * aan *, op het bo- venste gedeelte der mouw vast; aan den bovenkant blijft de revers van † tot * los. Beide gedeelten naait men van g tot h en van j tot k aaneen; alsdan naait men den revers van on-deren tegen de mouw en garneert hem als volgt: men begint aan den onder-sten rand van de ondermouw, van den elleboogsnaad af, en legt eerst de garne-ring van onderen, en vervolgens langs den elleboogsnaad tot aan den schouder, zooals de afbeelding aanwijst. Bij het in-zetten der mouw in het armsgat moet k van de mouw aan k van het voorstuk (fig. 10) en de dubbele punt van de

2 witte haakkluwen No. 14; haak-naald No. 11; balein van 1 Ned. duim breed en 40 Ned. duim lang; koord en kwasten, de koorden elke ter lengte van ruim 50 Ned. duim.

Men zet 7 kettingsteken op en ver-bindt deze tot eene rondte.

1ste toer. Vaste steken. In dezen toer worden 4 steken gemeerderd, zoodat er zich nu 11 in bevinden.

2de toer. 1 stokje op den eersten vas-ten steek, 3 kettingsteken; zoo de toer rond (het stokje namelijk telkens in den naasten steek gestoken).

3de toer. Aan de beide zijden van het

mouw aan de dubbele punt van den rug (fig. 11 ) komen.

Het lijfje wordt, naar fig. 15 en 16, op dezelfde wijze als de blouse, doch, naar aanwijzing van fig. 15, van smalle plooijen voorzien; alsdan wordt het van l tot m onder den arm, en van n tot o aan den schouder aaneengenaaid. Van onderen wordt het, even als de blouse, aan het volgens fig. 12 geknipte boord gezet, dat door een kanten tusschenzetsel met fluweelen lint wordt bedekt. De gar-nering van het lijfje wordt van boven, alsook langs de armsgaten, aangebragt; het tusschenzetsel bevestigt men langs de armsgaten op de stof; maar de aan-geplooide strook moet los over de mouw der blouse hangen.

stokje 1 steek naar boven verspringen; 3 stokjes, 2 kettingsteken; * in den tweeden steek gestoken 3 stokjes, 2 kettingsteken *; herhaal van * tot * 9 maal.

4de toer. * Op de 3 stokjes van den vorigen toer 5 stokjes (bij het eerste en laatste stokje een stokje meerdere); 2 kettingsteken in den derden steek ge-stoken *; herhaal van * tot * 10 maal.

5de toer. * Op het eerste stokje ge-stoken 2 stokjes; 1 stokje in den vol-genden steek; 1 kettingsteek, in den tweeden steek gestoken 1 stokje; 2 stokjes in den volgenden steek; 2 ket-tingsteken *; herhaal van * tot * 10 maal.

72 HANDWERKEN EN MODES.

NACHTZAK.

(Haakwerk).