De Gracieuse 1863 | Page 323

kraag voor, dien men van den entredeux vervaardigt, en waarin men, volgens de aangewezene lijn, van voren eene plooi legt, om den hoek te vormen. Vervol-gens zet men er de geborduurde strook om, welker lengte op 64 Ned. duim berekend wordt.

De kraag wordt van E tot F inge-haald. Naai hem, E aan E, en F aan F, aan den hals van het jak, en leg er, om den naad te bedekken, een smal, schuin geknipt strookje tegen.

De mouw, die volgens Fig. 3 in haar geheel moet worden gesneden, wordt van

De pas van deze muts heeft een naad in het midden. Fig. 6 stelt de helft der pas voor. De boom, waarvan men in Fig. 7 de helft ziet afgebeeld, wordt aaneen geknipt, en daarna de pas van U tot V met een dubbelen stiknaad op den boom gezet. De boom, die twee inhalingen heeft, een van on-deren, en een andere 1½ Ned. duim hooger, wordt vervolgens op de wijdte van den plooiband (waarvan Fig. 8 de helft voorstelt), dien men er aan de binnenzijde van de muts tegen naait, vastgehecht, zoo als de teekens aan-toonen. Ook kan de boom van V tot V van eene schuif voorzien worden, ten einde hem naauwer te kunnen aanhalen. Er wordt eene eenvoudige strook om de muts gezet, zoo als op Fig. 7 is aangewezen. De geheele wijdte dezer

G tot A aaneen genaaid, en van onderen ingehaald. Het boord, naar Fig. 5 ge-sneden, is zóó wijd, dat men, wanneer het digt genaaid is, er de hand kan doorsteken, maar moet de breedte heb-ben van den entredeux en van een strookje. De entrdeux wordt op dit boord ge-borduurd; de mouw G aan G en * aan * aan het boord genaaid, en de strookjes digt aan het borduursel van den entre-deux gezet. Bij het inzetten der mouw moet A aan A van het armsgat van het voorstuk geplaatst worden, zoodat de naden op elkander komen.

strook bedraagt 118 Ned. duim; hare breedte is van voren 2 en van achteren 2½ Ned. duim. Van de voorpunt af wordt de strook aan beide zijden 9 Ned. duim glad aan de muts gezet; het overblij-vende wordt gelijkmatig in de rondte verdeeld. De strook wordt van achteren, over de geheele ruimte met een rolnaad aangezet, maar verder om de pas aan-gestikt, terwijl men het naaisel met eene schuine strook van 1 Ned. duim breed bedekt. Men kan ook eene tweede geborduurde strook op de pas zetten. De keelbanden, 42 Ned. duim lang en 4½ Ned. duim breed, worden van on-deren afgerond en, even als de strook der muts, van onderen geborduurd, en aan beide zijden smal gezoomd. De ban-den worden op de aangeduide plaats van Fig. 7 aangezet.

HANDWERKEN EN MODES. 55

NACHTMUTS VOOR EENE DAME.

Plaat XLIV, Fig. 13.