7de toer. Naald No. 14. Bij dezen toer slaat men om de andere maas 1 maas over.
De 4de tot en met den 7den toer worden 6 maal herhaald. Bij de 4 laatste herhalingen werkt men in den 1sten toer van elk patroon om de andere maas; zoodat er tusschen elke 5 mazen die men knoopt een maas van den vorigen toer onbewerkt blijft, daar anders het haarnet door het veelvuldige meerderen te wijd zou worden. Bij de 6de herha-ling wordt de 4de toer van het pa- troon niet gewerkt. Alsdan heeft men, van het midden af gerekend, 7 breede toeren bekomen. Nu wordt de draad afgeknipt en het net in twee gelijke deelen, in een vóór- en in een achter-gedeelte, verdeeld; het begin van elken toer moet echter in het midden van het achtergedeelte vallen. Van voren, van het midden af te rekenen, telt men aan beide zijden 60 mazen af, en werkt deze 120 mazen in heen en weder gaande toeren. Eerst maakt men den nog ont-brekenden toer van het laatst gewerkte patroon; dan nog eens de 4 toeren, waarbij men tusschen elke 5 mazen één maas van den vorigen toer liggen. In den laatsten toer van het patroon laat men echter 30 mazen onbewerkt.
Keer alsnu het werk om en begin het patroon nog eens; maar laat bij den eersten toer aan de andere zijde we-der 30 mazen liggen. Deze toer is nu met 60 mazen verminderd. Bij den laat-sten en den eersten toer van elke verdere herhaling worden steken afgenomen, en wel bij de 1ste herhaling aan elke zijde 15 mazen, bij de 2de aan elke zijde 20, bij de 3de en 4de aan elke zijde 30, bij de 5de aan elke zijde 35 mazen.
Bij de 6de herhaling werkt men al- leen de 10 mazen die zich in het mid-den der punt bevinden.
Het voorste gedeelte van het net is nu af. Om het achtergedeelte te be-ginnen, knoopt men den draad bij de laatste maas van het voorste gedeelte aan, en werkt ook dit gedeelte in heen en weder gaande toeren.
Den 1sten toer werkt men over de knoopnaald No. 12. Men knoopt aan elke zijde 2 en verder den geheelen toer 3 mazen van den vorigen toer als één maas te zamen. Aan de nu voorhanden steken van het achtergedeelte worden, met de naald No. 12 en het houtje van 1 Ned. duim breed, 6 toeren met den rozetsteek geknoopt. Vervolgens worden nog 3 toeren over de naald No. 12 ge-werkt. Hiermede is het haarnet voltooid.
Tot het garneren van het net zet men 200 mazen op naald No. 12, knoopt er heen en weder 4 toeren over, en vervolgens 9 toeren over het houtje, dat ¾ duim breed is. Deze 13 toeren worden drie maal herhaald, waarna men nog eens 4 smalle toeren werkt. Men neemt nu deze smal geknoopte toeren zoodanig te zamen, dat de breed ge-knoopte toeren als 4 doffen over elkan-der hangen. Om het garnituur van voren voller te maken, zet men nog eene strook van 50 mazen op, waarvan men 2 smalle strepen en 1 breede streep in het midden maakt, die tot 2 doffen bewerkt worden.
Dan rijgt men door den buitensten rand van het net een elastieken band. Het net moet echter van voren glad en van achteren ruim met plooijen vallen. Voorts trekt men er van achteren een taffen lint door, welks einden van boven worden vastgehecht. Van voren wordt
HANDWERKEN EN MODES. 53