De Gracieuse 1863 | Page 309

1 kettingsteek, 1 half stokje, 1 ket-tingsteek, 1 stokje, 1 kettingsteek, 1 stokjes met 2 maal omslaan, 1 ketting-steek, 1 stokjes met 3 maal omslaan, 1 kettingsteek, nog 1 stokje met 3 maal omslaan, 1 kettingsteek, 1 stokje met 2 maal omslaan, 1 kettingsteek, 1 stokje, 1 kettingsteek, 1 half stokje, 1 ket-tingsteek. * Herhaal van * tot * langs het geheele tusschenzetsel. Alle toeren worden van ééne zijde begonnen.

2de toer. Vaste steken in alle steken van den vorigen toer; de vaste steek die zich in het midden van elke schulp bevindt, wordt echter niet gewerkt.

3de toer. * 5 vaste steken op de mid-denste vaste steken van de schulp (zijnde de 2 stokjes met 3 maal omslaan en de kettingsteken die zich vóór, tusschen en

Dit patroon bestaat slechts uit één toer. Het wordt heen en weder gehaakt, maar zeer los en met eene grove haak-naald. Even als bij het gewone haken, zet men met kettingsteken op. Bij den volgenden toer werkt men 3 steken in den kettingsteek-toer, doch houdt ze, even als bij den Tunischen steek, op de naald, slaat dan den draad om de naald en haalt hem door de 4 zich op de naald bevindende lussen heen, zoodat de steken tot een bosje worden veree-nigd, en werkt dan 1 kettingsteek. Zoo vervolgt men den geheelen toer, telkens 3 steken te zamen hakende en 1 ket-

achter deze 2 stokjes bevinden), dan 3 ket-tingsteken; daarna slaat men den draad 2 maal om, als of men een dubbel stokje wilde maken; men steekt de naald in den 4den steek van den vorigen toer (zoo-dat men 3 steken overslaat), haalt den draad door, slaat dien weder om en haalt hem door de lus en een om- slag. Voor dat men dit stokje voltooit, werkt men 1 stokje in den 5den steek van den vorigen toer; nu werkt men het dubbele stokje af, vervolgens 3 ket-tingsteken, en 1 stokje op het midden van deze stokjes, zoodat hierdoor een kruis gevormd wordt; dan weder 3 ketting-steken *. Herhaal van * tot * den ge-heelen toer.

4de toer. Vaste steken.

tingsteek er tusschen in. Den nu vol-genden toer werkt men aldus: bij den eersten steek van de drie steken die men te zamen moet haken, neemt men de achterste lus op van de 3 te za- men gehaakte steken; bij den tweeden steek de achterste lus van den ket-tingsteek, en bij den derden steek de voorste lus van den kettingsteek van den vorigen toer; dan haakt men deze 3 opgenomen steken tot een bosje za-men, waarna men weder een ketting-steek haakt. Alle volgende toeren wor-den gehaakt als deze laatse.

HANDWERKEN EN MODES. 41

WAAIJERSTEEK.

(Haakwerk).