De Gracieuse 1863 | Page 277

HANDWERKEN EN MODES. 9

en is van voren van den hals af tot van on-deren aan den rok gegarneerd met eene rij groote fluweelen knoopen; de beneden-helft van elken knoop is met franje omzet.

De mouw heeft een revèrs of omslag die met 2 knoopen versierd is; van bo-ven zijn epauletten, die even als de rok met 3 slippen, doch kleiner dan die van den rok, gegarneerd is.

De figuren No. 1 en 5 (de rok met het lijf aangesloten) op het patroon om-geslagen, kan daarop niet in hare geheele lengte geteekend worden; men heeft hierbij echter de lijn maar in de schuinte te volgen; van onderen, van de taille af tot aan het onderste van den rok, van achteren, wordt voor eene middelmatige lengte, 1 Ned. el en 32 tot 36 duim ge-rekend.

Men zet vervolgens tusschen No. 1 en 5 (de voor- en achterbaan van de rok) twee of drie regte banen, het getal hier-van is afhankelijk van de breedte der stoffe; wanneer men dus twee regte banen aan beide zijden plaatst, is de rok 6 banen wijd. De regte banen wor-den geplooid op de wijdte van den flu-weelen band met slippen, welke op zijde wordt geplaatst. De voorstukken van het lijf worden tot aan de stiplijn van de stof en voering gesneden. Voor den rug, de overige gedeelten van het lijf, alsook voor de mouwen, wordt de voering even als de stof geknipt. Nadat men de voering op het bovengoed geregen heeft, zet men de robe op deze wijze in elkander: Fig. 1 en 2, van A tot B; Fig. 2 en 3, van C tot D; Fig. 3 en 4, van E tot F; Fig. 4 en 5, van G tot H; Fig. 5

en 1, aan den schouder, van J tot K. De rug heeft in het midden eene naad, die geheel tot van onderen aan de rok van de robe doorloopt.

De voorstukken zijn van het * van Fig. 1 af tot van onderen aan elkander genaaid, en van de taille tot aan den hals zijn zij van haken en oogen voor-zien. In de beide zijnaden van het lijf worden baleinen gehecht. Fig. 6, de band met de 3 slippen worden van flu-weel geknipt. Deze band wordt van B tot . geplaatst aan Fig. 2, die op de-zelfde wijze geteekend zijn; van achteren van H tot *aan dezelfde teekens van Fig. 4, en moet dus de plooijen van de rok bedekken. De franje waarmede de slippen omzet zijn is 6 à 7 duim breed; men hecht de punten van de slippen op de rok. De twee gedeelten van de mouw, Fig. 7 en 8, worden van L tot M en N tot O aan elkander genaaid. De revèrs, Fig. 9, zijn gevoerd en met een passement omboord; men naait ze van N tot P te zamen; vervolgens naait men ze op de mouw, L aan L en N aan N. Van de drie slippen welke de épaulet-ten uitmaken, is de plaatsing aange-wezen; de voorste is op Fig. 7 aange-teekend, de middelste door twee *, en de derde even zoover van de middelste af, als de eerste; de middelste slip moet, tot aan de punt 16 duim lang zijn. Men hecht ze aan elken kant van de mouw, en naait O aan O, aan de uitsnij- ding van de mouw. De revèrs van de mouw zijn van 2 knoopen voorzien, waarvan de plaatsing door cirkels is aangeduid.