De Gracieuse 1862 | Seite 316

28 HANDWERKEN EN MODES.

chon, voor meisjes het burnous en ook het paletotfatsoen. De hoedjes hebben platte randen, de bol is vilt, de rand fluweel, of wel de geheele hoed fluweel, van voren met een opstaande struisveer.

Laat ons nu even omschrijven wat de modeplaat deze keer te zien geeft.

Wandelkleeding. Zwart fluweelen hoed met blaauw taffen voering, in voorstuk en bavolethangende bol van witte tule, overtrokken met zwarte. Een breed blaauw lint, geplooid en op gelijken afstand gevat in smalle zwart fluweelen bandjes, ligt in den vorm van een doekje over den hoed, die verder tot garneersel ééne zwarte en ééne blaauwe struiveêr heeft. Aan de binnenzijde een blaauwe strik, eene ruche van zwarte kant en blaauwe banden.

Ligt blaauwe japon in moiré antique – als garneersel blaauw fluweelen punten, omzet met een smalle zwarte kant. Hoog lijf dat om het middel als vest is weggesneden; garneersel van acht fluweelen eenigzins afgeronde punten – evenzoo versiert men de gladde elleboogsmouw. De rok is rondom op gelijke wijs ge-garneerd – de punten in afnemende grootte.

Huiskleeding. Mutsje van witte tule, bedekt met een slip-doekje van fuchsiakleurig fluweel, omzet met eene smalle zwarte kant – wit tulen plooisel met afhangende strik van gelijke kleur al het fluweel.

Zwart taffen japon gegarneerd met zwart zijden koorden, knoopen en kwasten. Hoog lijf en coeur uitgesneden met een neerslaand kraagje dat uitloopt in twee punten, waaraan een kwastje is gehecht – smalle ceinture met gitten gesp gesloten. Het lijf sluit met knoopen – de elleboogsmouw heeft een breed opslaand garneersel, dat naar voren uitgesneden is en verbon-den wordt door een gekruist koord, sluitend met een kwast.

De rok is opgenomen in breede plooijen – deze worden zaamgehouden door elkaar kruisende koorden en knoopen, met afhangende kwasten.

Het chemiset heeft een geplooid kraagje, de mouwen zijn zeer ruim en voorzien van eene geborduurde manchet.