12 [ 13 December 1865. 4e Jaargang.]
zich zelve op een rooden grond een zeer fraai effect maakt,
maar vooral het oorspr. borduurwerk zeer schoon doet uit-
komen. Eerst knoopt men den smallen rand, die het bor-
duurwerk omgeeft waar het grijze net zich aansluit. Afb.
No. 71 toont een gedeelte van den met rood en zwart koord
geknoopten rand, met het netfond. Men neemt voor het
eerste 140 d. rood koord en legt dit in de lengte dubbel: voorts 310 d. zwart zijden koord, neemt dit insgelijks in
het midden in de lengte met het midden van het roode koord
te zamen en bevestigt beide koorden met eene speld op een
naaikussen, om aan het knoopen te kunnen beginnen. Dit ge-
schiedt door gedurig ineenslingeren van de zwarte over de
roode koorden, waarvan de afstanden op afb. No. 71 niet al-
leen zijn aangegeven, maar ook zoodanig als bij letter o door de
losse ligging der koorden duidelijk is aangetoond. Heeft dit knoop-
werk eene lengte van 70 d. verkregen, dan verbindt men het tot
eene rondte, zorgt dat er geene onregelmatigheid in de vlecht zij,
en haalt door middel van eene stopnaald door elk van de naar bui-
ten liggende zwarte lussen van het koord van den rand ― het oor-
spr. heeft er 121 ― twee einden elk 140―150 d. lang van het
ongebleekte touw, zoodat deze gedurig in vier gelijke einden
afhangen. Met deze bosjes draden voert men het netvlechtwerk uit, daar men in den 1sten toer van elk bosje twee draden voor
in te leggen neemt en om deze met de overige draden drie knoo-
pen werkt, zoodanig, als afb. No. 71 het op de met b aangedui-
de plaats door de los liggende koorden aantoont. De middelste
van de drie knoopen wordt gedurig als knoop a gevormd, bij den
eersten en derden knoop echter is de ligging der koorden ver-
wisseld, zooals de afb. dit voorstelt. Heeft men alle bosjes dra-
den driemaal op deze wijze geknoopt, dan gaat men tot den 2den
toer over, waarin men de knoopen verzet en tot bosjes ver-
deelt, waarbij men namelijk twee draden (een inleg- en een
knoopdraad) naar deze, twee draden naar de andere zijde legt, en
nu den draad dien men eerst voor het knoopen heeft gebruikt als in-leg, en den als inleg gebruikten draad om te knoopen neemt. De
afb. geeft hiervoor de beste verklaring. ― Om eenige afwisseling in het vlechtwerk te bren-
gen, kan men ― even als den rand
― in het midden van den rand van
het voetkussen een ander knoop-
patr. Uitvoeren dat volgens afb.
No. 72 wordt voorgesteld. De
korte rechte stokjes van het
vlechtwerk worden elk uit
6 knoopen (insgelijks de
ligging van de koorden
gedurig afwisselend)
uitgevoerd: bij de
groote fig. knoopt men
eerst twee knoopen,
neemt dan van elk een inleg- en een knoopdraad en
voert daarmede den naar beide zijden vooruit stekende knoop uit. Hier-voor legt men eerst
den inlegdraad zoodanig tot eene
eenvoudige lus als afb.
No. 72 het aan de
met a aangewe-
zen plaats
aantoont, legt onder deze lus den naastaanzijnden
knoopdraad, zoodat hij de lus volgens aanwijzing
van de afb. in twee helften (twee openingen) verdeelt
en steekt er alsdan denzelfden draad van boven
naar onderen door, terwijl men hem naar aan-
wijzing van de zwarte lijn die bij a zichtbaar
is, en met de punt van een pijl eindigt,
door de eene opening van de lus heen
en door de andere doet uitkomen (zie
de met b aangewezen reeds voltooide
dubbele lus). Elke dubbele lus haalt
men naar evenredigheid van de
overige fig. aan en knoopt dan
weder met de beide naar buiten
hangende draden tweemaal
over de naar binnen hangen-
de, even als aan het begin
van de fig., dan werk men
in verzette rijen weder een
toer stokjes. Heeft men van
de grootste fig. twee en
van de stokjes drie toeren,
dan herhaalt men nog eens de eenvoudige zetvlecht en zet haar tot aan den rand van onderen voort, waar men telkens vier draden in eene naald steekt
en aan den bodem van het kussen bevestigt. Het laatste overtrekt men nog-maals met eene voering, om de hechtsteken te ver-bergen, dan met de roode
wollen stof en zet om den
onderrand van het kussen
een van zwart en rood
koord geknoopten rand,
even als waarmede de afslui-
ting van boven aan het
knoopwerk gevormd is. Het
spreekt van zelf dat ook de bo-
venrand op het kussen moet
met wit, van buiten met bruin bont voorzien, en kan ― waarom zij wel eenige voorkeur ver-
dient ― geheel en al door de vrouwenhand vervaardigd worden. Naar Fig. 47 op het hierbij be-
hoorende knippatr. worden twee gedeelten uit laken geknipt, naar fig. 48 een gedeelte uit dik vilt,
en ook voor de voering dezelfde gedeelten van vilt of flanel. Als de twee gedeelten laken van N tot
O met een achtersteeknaad verbonden zijn, dan teekent men er het patroon waarvan fig. 47 slechts de helft geeft op over; men moet dit laatste zooals van zelf spreekt eerst tot een geheel vormen. Het borduursel wordt, netjes langs de omtrekken van het patroon, met de een of andere kleur
van zijde met den ketting- of stiksteek in den point russe of met soutache of dun rond koord, uitgevoerd. nu naait men de laars van achteren in het midden van P tot Q aan elkaar, zij wordt met voering en om den buitenrand met een garnituur van bont voorzien. Eerst zet men
er echter de zool in, waarbij deze met R en Q op dezelfde letters van de laars moet sluiten;
eer men er de zool inzet moet men het binnenste gedeelte van de laars naar buiten keeren, er de zool inleggen, den ondersten afgeknipten rand van de laars ongeveer 1 d. breed vlak over de zool heenslaan, en er zoo met sterk garen met een achtersteeknaad aannaaien. Men
moet de zool echter niet door en door steken opdat de steken niet op den buitenkant (na-
derhand van onderen) zouden zichtbaar zijn. Als men een stuk voering van denzelfden
vorm aan de binnenzijde op de zool heeft gehecht, of er opgeplakt, dan keert men
de alsnu voltooide laars weder naar der echter zijde om. Ten einde de laars beter
te doen sluiten, hecht men er ongeveer 6 d. boven elke split een reepje elas-
tiek band 4 d. lang en 1 d. breed aan, waardoor de split wordt dicht ge-
houden.
Gehaakte onderrok voor kinderen
van 2-4 jaar.
Afb. No. 75. ― 6 lood ponceau, 3 lood zwarte
castorwol.
De fond van dit rokje is met roode wol, de
rand met zwarte wol met den tunischen haak-steek gewerkt en laatstgenoemde met een pa-troon à la grecque versierd. Men begint het rokje van onderen aan den rand met de zwarte wol, waarvoor men 173 steken opzet. De drie
eerste toeren worden met den golfsteek gewerkt,
en wel de eerste en derde toer met zwarte, de tweede met roode wol. De golfsteek, een bastaardsoort van
den gewonen tunischen steek, vormt men door het opnemen van de steken in den
eersten patroontoer. Men haalt na-melijk (wel te verstaan na de uit-voering van den 1sten patroontoer
met den gewonen tunischen steek)
den draad gedurig door de ach-
terste lus van den loodrecht
liggende steek van den vo-
rigen toer, daar men aan de ver-
keerde zijde van het werk doorsteekt,
zoodat de kettingsteekrand van den
vorigen patroontoer naar de rech-
ter zijde vooruitkomt en er re-
liefachtig op ligt. Van den 4den
tot den 11den patroontoer wor-
den met zwarte wol met den gewonen tunischen steek ge-haakt, dan volgen er drie toe-ren met den golfsteek. Nu begint de fond met roode wol. Men werkt met den gewonen
tunischen steek eerst 11 toeren zonder meerderen of minderen. Het laatste be-gint in den 12den patroontoer, en wel
in den 2den toer hiervan, daar men
om te minderen den 20sten en
21sten steek, van het einde
van den 1sten toer af gere-
kend, als een steek af-
werkt en in den volgenden toer slechts als een steek
daarin weder opneemt. Deze mindering wordt na
elke 17 steken tusschenruimte nog zevenmaal
in deze toer herhaald en geschiedt op de-
zelfde wijze in elken 3den toer, dus in
den 15den, 18den, 21sten, 24sten en
26sten toer. Na den 27sten toer,
waarmede het rokje voltooid is,
werkt men nog een toer halve
vaste steken, dan naait men de
dwarszijden van het haakwerk
tot op een split 10 d. lang na
te zamen, en omgeeft den on-
derrand met een toer pun-
tjes van roode wol op de
volgende wijze: In elken
randsteek 2, elk door twee
kettingsteken gescheiden
vaste steken. Daarna voert
men met de roode wol
het patroon à la grec-que uit, dat op af-
beelding No. 75 duide-lijk is voorgesteld en de 6 middelste rijen van den rand inneemt. Ter vervaardiging van deze versiering neemt men de bovenop liggende steken-lussen van den tunischen haakgrond nu eens in de loodrechte, dan we-
der in de dwarsliggende
rijen (naarmate het pa-
troon zulks vereischt) op
de naald en werkt ze
gedurig van de linker naar
de rechterzijde gaande, met
een daarvoor bestemden wol-
len draad af. Van de dwars-
liggende reepjes van het griek-
sche patroon tellen de langste
elk 10, de kortste 3, de lood-
rechte streepjes elk 2 steken. Na
voltooiing van den rand wordt de
rok van boven geplooid en verkrijgt
een van 6 toeren gehaakten band van
roode wol overeenkomstig de wijdte van
de taille, waarvan de eerste toer de plooien
bevestigt en om hem vast te kunnen maken van
een knoop en lus wordt voorzien. ― Hoewel men
zich dit rokje in alle groote magazijnen van manufac-
turen kan aanschaffen, zoo meenen wij toch dat vele onzen
abonnées het gaarne zelve zullen willen vervaardigen. Ook de eerste aflevering van den nieuwen jaargang van de Gracieuse
No. 74. Laken bovenlaars met bont gegarneerd.
Knip- en borduurpatroon, keerz. v. h. Supplem. No. XIII, Fig. 47 en 48.
No. 73. Patroon in application voor een voetkussen. Bij afb. No. 70.
No. 72. Knoopwerk. Bij afb. No. 70.
No. 71. Knoopwerk. Bij
afb. No. 70.
worden vastgehecht, ook moe-
ten de dubbele lussen van den ge-
knoopten rand door eenige steken
met rood garen, in den rand van het
kussen worden bevestigd.
Laken heeren-laars met bont
gegarneerd.
Afb. No. 74. Knip- en borduurpatr. keerz. v. h. Supplem. No. XIII, Fig. 47 en 48.
Aan heeren die op reis in den spoorwagen en ook in huis
een warm en gemakkelijk schoeisel verlangen, kunnen wij
deze elegante laars, als tevens zeer nuttig aanbevelen. Ons model bestaat uit zwart laken, het voorblad is met een bor-duursel van bruine havanna-zijde versierd, zij is van binnen
levert het bewijs, dat wij er ons op toeleggen om eene rijke ver-
scheidenheid, zoowel wat de keus de voorwerpen, als wat de
verschillende soorten van handwerken betreft, te geven.
No. 75. Gehaakt onderrokje voor kinderen van 2―4 jaar.
Bij deze Aflevering is een Supplement, bevattende knippatronen.
UITGAVE VAN A. W. SIJTHOFF, TE LEIDEN.
12 [ 13 December 1865. 4e Jaargang.]